Schepen Ketelhoethof Kronenburg


Straatnaam: Schepen Ketelhoethof

Ketelhoet is een ander woord voor helm. Het lijkt erop dat het hier om een bijnaam gaat die een familienaam werd.
In het jaar 1301 is er sprake van het huis van Ketelhoet dicht bij de stadsmuur. Drie jaar later blijkt uit een oorkonde dat het gaat om het pand van Jacobus Ketelhoet en zijn vrouw Christina. Dat het huis eerder in de akten opduikt dan de eigenaar komt waarschijnlijk omdat het hier gaat om een herberg.

Dat herbergen nabij de stadspoorten lagen was gebruikelijk maar de exacte locatie is niet met zekerheid vast te stellen. Het was in die tijd niet gangbaar dat een herberg een eigen naam had. Àls er al over werd geschreven dan als “het huis van ….”
Aan het begin van de 14e eeuw waren er in ieder geval 3 herbergen in de stad die als ‘deugdelijk’ of ‘eerzaam’ bekend stonden. Daaronder was de herberg van Jacobus Ketelhoet. Hij was zo betrouwbaar dat hij tussen 1323 en 1331 schepen van de stad kon zijn.
De herberg leverde hem kennelijk een behoorlijk inkomen op. Hij bezat verschillende huizen van steen en hout. Ook zijn er aanwijzingen dat hij zich bezighield met geldhandel. Daarbij was het een voordeel dat hij als herbergier in contact kwam met veel reizigers waar hij zaken mee kon doen.

Met zijn eerste vrouw krijgt Jacobus in ieder geval een dochter (Christina, die het klooster in ging) en twee zoons, Jacobus en Ghyselbertus. Nadat zijn eerste vrouw is gestorven trouwt Jacob met Salomea. Hijzelf overlijdt vóór 17 maart 1336. Op die datum wordt namelijk in het huis van Salomeen, die Jacob Ketelhoets wijf was, een belangrijke overeenkomst gesloten waarbij tientallen personen aanwezig waren. Dat wijst erop dat Salomea de herberg na het overlijden van haar man heeft voortgezet.
In het jaar 1355 was de hofstede Jacob Ketelhoetshuyse één van de 10 grafelijke hofsteden aan de Nieuwe Markt waaraan een tapvergunning werd verstrekt tijdens de jaarmarkten. Waarschijnlijk was zoon Jacob toen de eigenaar van de herberg.