Schepen Ploechpad Kronenburg

Straatnaam: Schepen Ploechpad

Dat de lengte van de straat niets zegt over de invloed van zijn naamgever(s) wordt wel heel duidelijk bij het Schepen Ploechpad.
Dit pad telt minder woningen dan het aantal leden van het geslacht Ploech dat een rol heeft gespeeld in het stadsbestuur van Arnhem in de periode 1263 tot 1470.

Stamboom

In de oudste vermelding, die dateert van 1263, is sprake van Requinus dictus Ploich.
Hij was toen als schepen van Arnhem getuige bij het verlenen van stadsrechten aan Wageningen.
Na hem zijn er nog negen mannen met de achternaam Ploech actief geweest in de schepenbank van Arnhem.
In de middeleeuwen werd maar weinig op schrift vastgelegd en de familiebanden zijn niet altijd even duidelijk.
Over echtgenotes en eventuele dochters is nog minder informatie bewaard gebleven.
In de mannelijke lijn zal de stamboom Ploech er ongeveer uitzien als hieronder is weergegeven.
Tussen haakjes staan de jaren of de periode waarin zij deel uitmaakten van het stadsbestuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bestuurlijke functies

Er waren in die tijd twee ‘clans’ die de dienst uitmaakten in de stad: de Van Arnhem-clan en de Vanden Gruuthuys-clan. Tot welke clan iemand behoorde werd niet bepaald door politieke ideeën maar was gebaseerd op familiebanden en de daarmee verband houdende gezamenlijke belangen.

Beide clans leverden ieder 6 schepenen, die telkens voor één jaar werden gekozen, maar velen maakten jaren achtereen deel uit van het bestuur. Zij bepaalden elk jaar wie van hen zou optreden als burgemeester, één uit elke clan. De burgemeesters waren de schepenen die werden aangesteld als beheerder van de financiën. Daarnaast werden er vanaf 1353 ook raadslieden benoemd. Over het algemeen waren dat ook leden van de bekende schepenfamilies.

De Stephanus uit de 4e generatie is de eerste die diverse keren als burgemeester werd gekozen. Later valt deze eer ook zijn zonen Derick en Riquinus ten beurt en ook Steven jr. schopt het tot burgemeester.

Van Derick weten we verder dat hij optrad als rentmeester, wat wil zeggen dat hij verantwoordelijk was voor het innen van belastingen. Daarnaast was hij een aantal jaren huismeester van het Catharinagasthuis; dat was toen een bestuurlijke, gezaghebbende functie. Zijn zoon Steven bekleedde dertig jaar later dezelfde functie bij het Gasthuis van St. Peter.

Bezittingen

De familie had een drietal belangrijke bezittingen in en bij Arnhem.

  1. De Corthalshoeve binnen Arnhem gelegen, waartoe behoorden: land in de Mersch, ten zuidoosten van het Arnhemse Broek (de Pleij); een hoeve hout in de Arnhemse Marke (ook wel Arnhemse Bos); zeven morgen land in het Arnhemse Broek; land op Cattenpoel en in de camp van Daem van Delen. Na het overlijden van Riquinus in 1392 ging dit goed over in handen van Wijnant van Doornick en zijn zussen maar al in 1403 kwam het weer in bezit van de familie Ploech in de persoon van Derick. In 1442 ging het naar diens zoon Steven.
  2. Het goed Te Broke, gelegen buiten de Velperpoort, waartoe ook een watermolen behoorde. In 1326 ontving Riquinus dit goed van de graaf van Gelre.
  3. Gedurende de 14e en 15e eeuw was de familie Ploech voor de helft eigenaar van het veer op de Praats. In mei 1323 krijgt ene Reinald Ploech, kanunnik te Utrecht, de helft van het veer. Vanaf oktober 1356 is het in bezit van Steven en in april 1415 gaat het over op zijn zoon Derick. In 1491 vervalt het bezit wegens het niet nakomen van de verplichtingen door Derick’s zoon Steven.

Naast deze aanzienlijke eigendommen had de familie ook in de omgeving veel bezittingen waaronder goederen in Afferbeec (tussen Arnhem en Oosterbeek); land in Zevenaar; land onder Elst en twintig morgen land in Veluwerweyde.
Daarnaast is er sprake van het goed van Wantenoerde dat over de IJssel was gelegen naast land dat onder het goed Ter Stege viel; het goed opt Griet te Elden tussen Malburgen Wetering en de dijk van Elden; een huis en hofstede te Elburg; het goed to Broechusen in Velp en het goed te Hokelem in Bennekom.

De uitzondering

Voor zover bekend bleven alle mannelijke leden van een familie altijd behoren tot de clan waarin ze geboren werden. De enige uitzondering op die regel treffen we aan in de familie Ploech. Alles wijst erop dat de broers Derick en Riquinus rond het jaar 1400 van de Vanden Gruuthuys- naar de Van Arnhemclan zijn overgegaan. Waarom deze afwijking van het normale patroon?

Hoewel hun moeder een Van Arnhem was, leek de mannelijke lijn bepalend voor het clanlidmaatschap. Bij een huwelijk van een vrouw uit de ene met een man uit de andere clan behoorden hun kinderen tot de clan van de vader.

De reden zal waarschijnlijk gezocht moeten worden in het familiebezit en de bezitsvorming van de beide families van de ouders. Het bezit van het veer op de Praats ten westen van de stad lijkt hierbij van groot belang te zijn geweest. De andere helft van het veer was immers al in bezit van het geslacht Van Arnhem en rond die tijd werd de handel en daarmee ook het transport steeds belangrijker.