Schepen van Brienenhof

schepen van Brienenhof 

De ‘Van Brienens’ zijn een Arnhems burgemeestersgeslacht dat terug lijkt te gaan tot Theodoricus van Brienen die vanaf 1247 een paar maal samen met de hertog van Kleef genoemd wordt. Waarschijnlijk verwijst de achternaam naar het dorp Brienen in het land van Kleef. 

Rond het jaar 1316 is er voor het eerst sprake van een lid van deze familie in het stadsbestuur, namelijk Johan van Brenen de Oude; later Van Brienen geheten. Ook in 1327 en 1331 wordt zijn naam vermeld. Van zijn zoon Johan weten we dat hij in 1327 rechter van Arnhem was. 

Daarna duurt het bijna een eeuw tot de naam Van Brienen weer opduikt in de documenten. In 1414 is het opnieuw een Johan die als schepen wordt gekozen. Vanaf die tijd is er bijna onafgebroken een Van Brienen aanwezig in de schepenbank. Meestal als schepen en soms als burgemeester. Er waren ook periodes waarin er per jaar twee leden van de familie als bestuurder werden gekozen. 

Niet van alle jaren zijn de documenten bewaard gebleven maar uit de stukken blijkt grofweg de volgende vertegenwoordiging: 

1327-1331Johannes de Brenen (later van Brienen) 

1414-1428Johan van Brienen 

1420-1432Henrich van Brienen 

1422Steven van Brienen 

1431-1464Steven van Brienen 

1435Johan van Brienen 

1456-1483Jan van Brienen 

Het is onduidelijk hoe zij aan elkaar verwant zijn maar er kan gerust van worden uitgegaan dat zij allen uit dezelfde familie afkomstig waren. 

Ook daarna zijn er nog diverse burgemeesters geweest met de achternaam Van Brienen. In welke jaren zij precies in het stadsbestuur zaten is niet te achterhalen, wel is zeker dat de functie steeds overgaat van vader op zoon.  

De reeks begint bij Arend (geb. 1523); dan volgt zijn zoon Jan (geb. 1557); vervolgens Dr. Gijsbert van Brienen (geb. 1594) en Reinder van Brienen (geb. 1596), beide zonen van Jan; daarna Gijsbert (geb. 1628), een zoon van Reinder; zesde in de rij is Dr. Johan van Brienen (geb. 1661), zoon van Gijsbert en ten slotte Johans zoon Reinier (geb. 1705).  

De bestuurlijke functies bleven voorbehouden aan de families met geld en aanzien.